donatieknop english

Deze week vond in de Eerste Kamer een zeer kritische deskundigenbijeenkomst plaats over een relatief complex maar belangrijk onderwerp: de nieuwe Wet digitale overheid. Door deze wet zal o.a. het verouderde DigiD vervangen worden door nieuwe digitale eID-middelen voor burgers om bij de overheid te kunnen inloggen en zaken te kunnen regelen. Aan de huidige opzet van de nieuwe wet en de bijbehorende infrastructuur kleven echter een aantal privacyrisico's. De Eerste Kamer had daarom Privacy First voor deze gelegenheid uitgenodigd om een position paper in te dienen en spreker te zijn. Klik HIER voor het volledige programma, alle sprekers en position papers. Hieronder volgt de volledige tekst van onze inbreng en het videoverslag van de gehele bijeenkomst:

Position paper:

Geachte Kamerleden,

Dank voor uw uitnodiging om deel te nemen aan de deskundigenbijeenkomst over de Wet digitale overheid (Wdo). Stichting Privacy First heeft een aantal kritische kanttekeningen bij deze wet. Hieronder zullen wij dit kort uiteenzetten.

Allereerst wil Privacy First in dit verband graag benadrukken dat burgers te allen tijde het recht hebben, en zullen moeten blijven hebben, om langs niet-digitale weg met de overheid te communiceren of zaken te doen, hetzij telefonisch, op papier of in persoon. Voor grote groepen in de samenleving is en blijft dit cruciaal voor hun maatschappelijke participatie. Bovendien biedt de ‘klassieke’ analoge ruimte vaak betere privacybescherming dan het digitale domein.

Dit brengt ons op ons voornaamste punt van zorg inzake de Wet digitale overheid, namelijk eID. Bij een gecentraliseerde infrastructuur kunnen eID-bedrijven die de certificaten (sleutels) verstrekken precies zien waar mensen inloggen. Daarnaast zijn er certificaten (digitale handtekeningen) voor het ondertekenen van documenten en bestaat het risico dat bedrijven exact kunnen weten welke documenten mensen ondertekenen. Dit leidt tot talloze privacyrisico’s, zeker waar het privacygevoelige transacties (en dus gevoelige persoonsgegevens) betreft. Wat is het verdienmodel van deze bedrijven? En wat kunnen zij doen met al deze gegevens, ook via platforms zoals Facebook en Google?

Dit pleit voor een decentrale i.p.v. centrale architectuur met dataminimalisatie en privacy by design. Dat brengt ons op een actueel onderwerp dat bij deze wet van belang is, namelijk de invoering van een op attributen gebaseerd stelsel naast het eID-stelsel. Biedt de huidige Wdo meer controle over het afschermen van persoonsidentificatiegegevens en beschermt het de privacy van de burger? Ons antwoord is nee. In 2017 was men daar dichterbij dan nu. De Wdo kent een lange aanloop en is van een uitwerking van een infrastructuur voor digitale overheidsdienstverlening versmald tot een “Wet op de inlogmiddelen”. In 2017 was het streven nog deels om te komen tot een raamwet voor een op attributen gebaseerd stelsel. In de eerdere versie van de wet werd daarom nog duidelijk onderscheid gemaakt tussen identificatie/authenticatiediensten enerzijds en attributendiensten anderzijds. De definitie was eens: “De attributendienst is een partij die ten behoeve van elektronische dienstverlening een verklaring afgeeft over bepaalde kenmerken of gegevens van een natuurlijke persoon (bijvoorbeeld leeftijd of beroep) of een rechtspersoon (bijvoorbeeld erkend bedrijf).”

Tevens zou deze dienst zowel door een overheidsorganisatie als door een private partij geleverd kunnen worden en moest er iets worden geregeld voor erkenning. Men stelde in de Memorie van Toelichting: “Aan attributendiensten worden in op basis van dit wetsvoorstel vast te stellen uitvoeringsregelgeving technische en organisatorische eisen gesteld en er wordt voorzien in een erkenningsstelsel, op gelijke wijze als bij authenticatiediensten. Op dit moment zijn er nog geen publieke en private attributendiensten operationeel, maar met uitbreiding van de digitale dienstverlening zal ook de behoefte aan elektronische ondersteuning van deze functie toenemen. Deze attributendiensten kunnen publiek of privaat zijn. Te denken valt bijvoorbeeld aan een generieke attributendienst die leeftijdsverificatie mogelijk maakt op basis van de basisregistratie personen. Tot nu toe verrichten publieke dienstverleners waar nodig zelf de leeftijdscontrole aan de hand van de eigen klantadministratie (die in de regel is afgeleid van de BRP). Het wetsvoorstel bevat een basis voor het stellen van technische en organisatorische eisen aan publieke en private attributendiensten. Of in de toekomst behoefte bestaat aan een publieke attributendiensten is nog onderwerp van onderzoek.”

De realisatie van die toekomst en behoefte lijkt nu te zijn geblokkeerd. Terwijl die behoefte er inmiddels vooral bij gemeenten wel is. Ook zij waren in 2017 nog overtuigd dat je iemand niet hoefde te identificeren om deel te nemen aan, bijvoorbeeld, een online peiling. De huidige Wdo ondersteunt dat echter niet. De definitie van attributendienst is immers geschrapt uit de Wet en op grond van art. 12 Wdo is de ministeriële aanwijsbevoegdheid beperkt tot het aanwijzen van een attribuut dat naar het oordeel van de Minister van belang is voor de identificatie van ondernemingen of rechtspersonen.

Het idee dat kenmerken/attributen een belangrijke rol spelen in het terugdringen van de online-identificatiedrift van publieke organisaties is in zijn geheel verloren gegaan. Qua privacy en dataminimalisatie is dit een grote misser. Dikwijls volstaat immers dat ik aantoon wat ik ben (inwoner van Amsterdam) in plaats van wie ik ben op basis van mijn BSN. In de huidige afgeslankte Wdo ontbreekt hiervoor het wettelijke kader. Alles is gericht op authenticatie en het verstrekken van persoonsidentificatiegegevens. Dit terwijl de wet eerder wel ruimte bood om met attributen toegang te krijgen tot digitale dienstverlening. Een actueel voorbeeld hiervan is overigens IRMA, dat begin 2018 de allereerste Nederlandse Privacy Award won.

Deze wet is dus een gemiste kans om als aanvulling op de eIDAS-verordening te dienen en een op attributen gebaseerd privacy-centrisch eID-stelsel in Nederland neer te zetten. Integendeel: met deze wet worden met een waaier aan regelingen juist hoge drempels opgeworpen voor private partijen (waaronder stichtingen) om goede, privacyvriendelijke middelen en voorzieningen te laten erkennen en aan te bieden aan burgers.

Privacy First betreurt dit en hoopt dat uw Kamer hier alsnog positieve veranderingen in zal kunnen bewerkstelligen.

Hoogachtend,

Stichting Privacy First

Mondelinge toelichting:

Geachte Kamerleden,

Nogmaals dank voor uw uitnodiging om aan deze bijeenkomst deel te nemen. Onze voornaamste punten van kritiek op de huidige Wet digitale overheid hebben wij reeds uiteengezet in onze position paper. Kort gezegd gaat het daarbij voornamelijk om de kwetsbaarheden en privacyrisico’s van het nieuwe eID-stelsel, waaronder de volgende aspecten:

- De centrale i.p.v. decentrale opzet van de infrastructuur. Over het algemeen is een centrale opzet riskanter en onveiliger dan een decentrale architectuur. Een decentrale opzet is ook meer in lijn met moderne privacyvereisten zoals dataminimalisatie en privacy by design. Bovendien leent dit zich minder goed voor grootschalige hacks of heimelijke toegang, massale datalekken en function creep, oftewel sluipende doelverschuiving. Niet voor niets is er de laatste jaren in diverse gevoelige domeinen een ontwikkeling van centrale naar decentrale infrastructuren zichtbaar, bijvoorbeeld op het terrein van biometrie en in de medische wereld. Ook bij een uitermate gevoelig persoonsgegeven als het BSN en allerlei gevoelige transacties tussen burgers, bedrijven en overheden zou dus bij uitstek voor een decentrale opzet gekozen moeten worden. Dat zou ook meer passen bij het idee van informationele zelfbeschikking en de slogan ‘Regie op gegevens’ van het ministerie van Binnenlandse Zaken zelf.

- In dit verband is het een gemiste kans dat het wettelijk kader tot op heden onvoldoende gebaseerd is op een stelsel dat werkt aan de hand van minimale attributen (d.w.z. relevante kenmerken) van personen i.p.v volledige identificatie waarbij veel meer persoonsgegevens worden verwerkt dan strikt noodzakelijk is. Een actueel voorbeeld van een dergelijk privacyvriendelijk alternatief is IRMA (I Reveal My Attributes) dat op 28 januari 2018, de Europese Dag van de Privacy, de allereerste Nederlandse Privacy Award won. Vanuit gemeenten, en wellicht ook andere overheden, lijkt daar ook steeds meer behoefte aan. Waarom wordt dit tot op heden niet wettelijk gefaciliteerd?

- Een ander aspect dat wij in onze position paper abusievelijk onvermeld hadden gelaten, is dat eID-middelen open source dienen te zijn. Dat is immers de meest effectieve manier om onbetrouwbare partijen buiten de deur te houden en de veiligheid en privacy te waarborgen. Open source zou daarom als harde eis toegevoegd moeten worden voor de toelating van eID-middelen.

- Tevens zouden wij hier graag nogmaals willen benadrukken dat het eID-stelsel zoals nu in de Wet digitale overheid beoogd is, per definitie enorme risico’s voor de privacy van burgers teweeg zal brengen, gezien de commerciële aard van nieuwe eID-aanbieders, waaronder techbedrijven met dubieuze businessmodellen en schimmige profileringspraktijken. Deze risico’s lijken in dit wetstraject nog niet te zijn geadresseerd. Dit dient alsnog op democratische en toekomstbestendige wijze te gebeuren op het niveau van de parlementaire wet zelf en niet in lagere, bestuurlijke regelgeving.

Dank voor uw aandacht.

(...)

Tijdens de bijeenkomst werden door de Kamerleden talloze kritische vragen gesteld, zie onderstaand videoverslag. Mede naar aanleiding van deze bijeenkomst is de Eerste Kamer voornemens om de verdere behandeling van de Wet digitale overheid tot na de zomer uit te stellen.

Gepubliceerd in Wetgeving

"Wanneer een politieagent je daarom vraagt, moet je jezelf in Nederland kunnen identificeren door een geldig identiteitsbewijs te laten zien. Ook de kassière bij de supermarkt kan je daarom vragen, maar alleen wanneer je alcohol wilt kopen en er twijfel is over je leeftijd. Met je identiteitsbewijs toon je dan hoe oud je bent en even later loop je tevreden de winkel uit.

Online ontbreekt zo'n middel om jezelf te identificeren en vooral bedrijven vinden dat lastig. Want met wie doen ze eigenlijk zaken? In Nederland hebben we wel DigiD, maar dat wordt eigenlijk alleen gebruikt door de overheid. Bij DigiD kies je zelf een gebruikersnaam en wachtwoord, dat bij de registratie wordt gekoppeld aan jouw burgerservicenummer: het unieke nummer van iedere persoon in de Basisregistratie Personen (BRP). Log je verolgens met je DigiD in op een website van de overheid, dan weet die overheid met wie het op dat moment zaken doet. In 2014 logden de 12 miljoen uitgegeven DigiD's samen 158 miljoen keer in.

DigiD is hiermee voor de overheid een succes, maar alle andere organisaties en bedrijven staan met lege handen. Webshops willen graag weten of hun klant wel de persoon is die hij zegt te zijn, of hij oud genoeg is, en kredietwaardig. Volgens branchevereniging Thuiswinkel.org hebben de ruim 45.000 Nederlandse webwinkels daarom momenteel maar één grote vraag: waar blijft eID? eID Stelsel is de naam voor de opvolger van DigiD, die de Nederlandse overheid nu aan het ontwikkelen is. eID moet alle benodigde manieren van online identificatie tussen burgers, overheid én bedrijven mogelijk maken.

(...)

In het programma eID (www.eid-stelsel.nl) werkt de overheid samen met wetenschappers en bedrijfsleven aan het nieuwe stelsel dat in 2017 klaar moet zijn. (...) Binnenkort starten enkele pilots, waarbij een klein groepje consumenten inlogt bij overheidsdiensten en commerciële diensten met een identificatiemiddel dat voldoet aan het nieuwe stelsel. Het voordeel van dit nieuwe stelsel is dat het identificatiemiddel niet door de overheid uitgegeven hoeft te zijn; bedrijven kunnen ook identificatiemiddelen uitgeven, bijvoorbeeld een klantenkaart of een app op je smartphone. De identiteit van de burger staat daarom online en is op afroep beschikbaar. Een naam voor het nieuwe stelsel is er ook al, Idensys. (...)

Om vaart te maken en omdat bedrijven niet willen investeren in weer een nieuw identificatiesysteem, is besloten het nieuwe stelsel te bouwen als uitbreiding op eHerkenning (www.eherkenning.nl). eHerkenning is 'de DigiD voor bedrijven', maar is anders dan DigiD geen overheidsdienst maar alleen een afsprakenstelsel. De overheid beheert het stelsel, voornamelijk bedrijven voeren het uit.

Hoewel websites straks gewoon een Idensys-login krijgen zoals ze nu een DigiD-knop hebben, werkt het verder helemaal anders dan DigiD én eID ooit was gedacht te werken. Komt bij DigiD de identificatie van de overheid, bij eHerkenning en dadelijk dus ook bij Idensys komt die van een makelaar, een tussenpartij. Deze 'ídentity provider' kent jou en met hem heb je afgesproken hoe jij je wilt identificeren, met een smartcard, je smartphone of toch gewoon gebruikersnaam en wachtwoord. Klopt de identificatie, dan krijgt die makelaar een pseudoniem voor jou en daarmee kan hij vervolgens kijken of jij gemachtigd bent de dienst te gebruiken waarvoor je wilt inloggen. Dat kijken doet hij in het BSN-koppelregister waarin de pseudoniemen gekoppeld zijn aan de Burgerservicenummers. De makelaar is dus allesbepalend inzake de veiligheid en het BSN-koppelregister als het gaat om privacy.

Om Idensys te baseren op eHerkenning is niet onomstreden. Een 'netwerkgebaseerd identiteitsmodel' zoals Idensys kenmerkt zich door veel schakels die allemaal vertrouwd moeten worden. De meest verdachte schakel is de makelaar, een marktpartij en de enige die alle transacties ziet. Weliswaar ziet hij niet wat er in de transactie gebeurt, maar hij weet wel met welke diensten iedere 'pseudoniem' zaken doet. (...) Ook ontbreekt [vooralsnog] de optie om anoniem diensten te gebruiken, iets wat bijvoorbeeld bij online medische diensten zeker wenselijk is. (...)

Waar blijft het debat?

Door de keuzes die bij Idensys worden gemaakt, zou je een publiek debat verwachten, maar dat ontbreekt volledig. Het College Bescherming Persoonsgegevens ontbreekt in de eID-werkgroepen en kon ons niet vertellen bij eID betrokken te zijn. "Ook Privacy First is niet betrokken en ook nog nooit gevraagd", zegt Vincent Böhre van Privacy First. "Blijkbaar wil men eerst een heel project afronden. Terwijl men nu door een privacy-kritische club te laten meepraten, fouten voorkomt en uiteindelijk maatschappelijk draagvlak creëert." Privacy First is voorstander van een opt-in waarbij mensen de keuze houden om het eID-systeem te gebruiken of niet. "De overheid mag niet eisen dat burgers hun zaken digitaal afhandelen en dat via een eID doen, de Algemene wet bestuursrecht verbiedt dat. Veel mensen in Nederland hebben geen computer of internet, de manier zonder eID moet daarom blijven bestaan", zegt Böhre. (...)"

Bron: Computer!Totaal, juli/augustus 2015, pp. 54-58 (openbare preview).

Gepubliceerd in Privacy First in de media

Onze Partners

logo Voys Privacyfirst
logo greenhost
logo platfrm
logo AKBA
logo boekx
logo brandeis
 
banner ned 1024px1
logo demomedia
 
 
 
 
 
Pro Bono Connect logo 100
Control Privacy
Procis

Volg ons via Twitter

twitter icon

Volg onze RSS-feed

rss icon

Volg ons op LinkedIn

linked in icon

Volg ons op Facebook

facebook icon