De digitale leerling

Nu de zomervakantie voorbij is hebben veel scholen zich weer voorbereid op een nieuw schooljaar. Ook dit jaar zullen digitale leermiddelen daarbij een centrale rol spelen. Van digitale lesmethodes en adaptieve oefenprogramma’s tot online samenwerkingsplatforms. Technologie biedt leerlingen en docenten onmiskenbare voordelen. Tegelijkertijd groeit de bezorgdheid over de privacy van leerlingen. Recente signalen van zowel de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) als Privacy First laten zien dat die zorgen niet ongegrond zijn.

De discussie over digitale leermiddelen wordt echter nog te vaak gepresenteerd als een keuze tussen innovatie en privacy. Dat is een valse tegenstelling. Goed onderwijs en goede privacybescherming horen hand in hand te gaan.

Leerlingen zijn geen databron

De AP waarschuwde eerder dit jaar opnieuw voor de privacyrisico’s van digitale leermiddelen in de klas.[1] Scholen verwerken grote hoeveelheden persoonsgegevens van leerlingen, variërend van naam- en contactgegevens tot leerprestaties, gedragsgegevens en in sommige gevallen zelfs gegevens die iets zeggen over de ontwikkeling van een kind. Wanneer deze gegevens worden verzameld, gecombineerd of voor andere doeleinden worden gebruikt dan noodzakelijk voor het onderwijs, ontstaan serieuze risico’s.

Dat is extra problematisch omdat leerlingen een kwetsbare groep vormen. Anders dan volwassenen hebben zij vaak weinig begrip van de omvang en gevolgen van gegevensverwerkingen. Bovendien kunnen zij niet eenvoudig besluiten om een digitaal leermiddel niet te gebruiken wanneer dit onderdeel uitmaakt van het onderwijsprogramma.

Meer dan een juridische verplichting

De discussie wordt vaak gevoerd vanuit de AVG en contractuele afspraken tussen scholen en leveranciers. Dat is belangrijk, maar niet voldoende. Het gaat uiteindelijk om een bredere maatschappelijke vraag: welke digitale omgeving willen wij creëren voor kinderen?

Privacybescherming moet niet worden gezien als een administratieve horde die genomen moet worden voordat een toepassing kan worden ingezet. Het zou een fundamenteel ontwerpprincipe moeten zijn.[2] Wie technologie ontwikkelt voor kinderen, heeft de verantwoordelijkheid om gegevensverwerking zoveel mogelijk te beperken, transparant te zijn en commerciële belangen nooit boven de belangen van leerlingen te stellen.

De verantwoordelijkheid ligt niet alleen bij scholen

Van scholen wordt verwacht dat zij kritisch kijken naar de digitale middelen die zij inzetten. In de praktijk beschikken veel onderwijsinstellingen echter niet over de expertise, capaciteit of onderhandelingspositie om grote technologiebedrijven en softwareleveranciers effectief te controleren.

De verantwoordelijkheid mag daarom niet uitsluitend bij scholen worden neergelegd. Leveranciers moeten aantoonbaar kunnen maken dat privacybescherming vanaf het ontwerp is meegenomen. Daarnaast ligt er een belangrijke taak voor de overheid en toezichthouders om duidelijke normen te stellen en deze waar nodig te handhaven.

In een recente brief aan de Tweede Kamer onderkent de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de noodzaak voor het opstellen van een regieplan met betrekking tot digitalisering en AI in het funderend onderwijs.[3] Overheid, scholen en publieke partners werken samen aan dit plan om de regie over de digitalisering in het onderwijs terug te krijgen. Uitgangspunt is dat technologie ondersteunend is aan goed onderwijs en publieke waarden worden beschermd. Het gezamenlijke regieplan wordt in het najaar van 2026 verwacht.

De introductie van nieuwe Europese regelgeving, zoals de AI-verordening (AI Act), maakt deze discussie alleen maar relevanter. Wanneer digitale leermiddelen gebruikmaken van AI om leerprestaties te analyseren, leerlingen te profileren of gepersonaliseerde aanbevelingen te doen, neemt het belang van transparantie en toezicht verder toe.

Digitale geletterdheid begint bij privacy

Scholen besteden terecht steeds meer aandacht aan digitale geletterdheid. Daarbij ligt de focus vaak op mediawijsheid, online veiligheid en het herkennen van desinformatie. Privacy verdient binnen dat onderwijs een prominente plek.

Leerlingen moeten niet alleen leren hoe zij digitale middelen gebruiken, maar ook begrijpen welke gegevens worden verzameld, waarom dat gebeurt en welke rechten zij hebben. Juist omdat digitale technologie een steeds grotere rol speelt in hun dagelijks leven, is kennis over privacy een essentiële vaardigheid geworden. Digitale geletterdheid maakt leerlingen tot kritische en bewuste volwassenen die de valkuilen van een digitale samenleving kunnen vermijden en de kansen benutten.

Van discussie naar actie

De zorgen die de AP en Privacy First signaleren zijn geen reden om digitale innovatie in het onderwijs af te remmen. Zij zijn juist een oproep om innovatie op een verantwoorde manier vorm te geven.

Dat vraagt om meer transparantie van leveranciers, meer ondersteuning voor scholen, strengere toetsing van digitale leermiddelen en een sterkere positie voor leerlingen en ouders. Uiteindelijk moet het uitgangspunt eenvoudig zijn: digitale technologie mag het leerproces ondersteunen, maar mag nooit ten koste gaan van de fundamentele rechten van kinderen.

Want goed onderwijs gaat niet alleen over wat leerlingen leren. Het gaat ook over de samenleving waarin wij hen laten opgroeien. En in die samenleving hoort privacy geen luxe te zijn, maar een vanzelfsprekend recht.

 

[1] Autoriteit Persoonsgegevens, Privacyrisico’s voor leerlingen door digitale leermiddelen in de klas, 30 maart 2026.

[2] De Code voor Kinderrechten bestaat uit tien beginselen met praktische voorbeelden waarmee ontwerpers en ontwikkelaars de fundamentele rechten van kinderen kunnen waarborgen in digitale diensten.

[3] Brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Digitale leermiddelen | Tweede Kamer der Staten-Generaal.