Hof Den Haag betwijfelt rechtmatigheid ANPR-cameratoezicht

Sinds 2019 worden door ANPR-camera’s de kentekens en locaties van miljoenen auto’s (oftewel ieders reisbewegingen) in Nederland continu 4 weken in een centrale politiedatabank opgeslagen voor o.a. opsporing en vervolging. In de optiek van Privacy First is dit structurele ANPR-cameratoezicht (Automatic Number Plate Recognition) een massale privacyschending die niet thuishoort in een vrije democratische rechtsstaat. Privacy First voert daarom sinds 2021 een rechtszaak tegen de Staat om de ANPR-wetgeving (art. 126 jj Sv.) onrechtmatig te laten verklaren wegens strijd met Europees privacyrecht. In deze fundamentele zaak heeft het Gerechtshof Den Haag vandaag een baanbrekende tussenuitspraak gedaan.

Noodzakelijkheid: onvoldoende onderbouwing door de Staat

In het vandaag gepubliceerde tussenarrest oordeelt het Hof dat de Staat vooralsnog onvoldoende heeft onderbouwd dat de grootschalige invoering van ANPR-cameratoezicht noodzakelijk is in een democratische samenleving. Het Hof overweegt daartoe het volgende:

  • De verwijzing naar de memorie van toelichting bij de ANPR-wet (art. 126 jj Sv.) volstaat niet, nu die was gebaseerd op verwachtingen van de wetgever vóór inwerkingtreding en de wet inmiddels geruime tijd van kracht is.
  • Eerdere rapportages zijn weliswaar relevant, maar te algemeen en te weinig kwantitatief. De enkele constatering dat ANPR-herkenning in “sommige zaken” doorslaggevend is geweest, is onvoldoende tegen de achtergrond van de omvang van de structurele gegevensverwerking.
  • De door de Staat gegeven voorbeelden zijn “voornamelijk anekdotisch” en een cijfermatige onderbouwing ontbreekt.

Het Hof stelt de Staat in de gelegenheid nadere, objectieve en verifieerbare gegevens in het geding te brengen over onder meer: de frequentie en typen zaken waarin ANPR is ingezet, de zelfstandige opsporingsbijdrage, de noodzaak van de bewaartermijn van vier weken, en de vraag of minder ingrijpende alternatieven de opsporingswaarde wezenlijk zouden verminderen.

Het Hof vraagt de Staat in dit verband  om de volgende informatie:

  1. Welke concrete opsporingsproblemen beoogt art. 126jj Sv op te lossen? 
  2. Hoe vaak en in welke typen zaken zijn op basis van art. 126jj Sv verkregen gegevens gebruikt in het kader van de opsporing? 
  3. In hoeveel en welke typen zaken heeft de inzet van art. 126jj Sv een zelfstandige of wezenlijke bijdrage geleverd?
  4. In hoeverre was die bijdrage specifiek afhankelijk van het preventief bewaren van passagegegevens die op het moment van vastlegging nog niet waren gekoppeld aan een concrete verdenking, voortvluchtige of opsporingsvraag?
  5. In hoeverre blijkt uit de gebruikspraktijk dat de volledige bewaartermijn van vier weken daadwerkelijk nodig is, bijvoorbeeld doordat relevante raadplegingen betrekking hebben op gegevens die ouder zijn dan zeven, tien of veertien dagen? 
  6. Volgen uit de beschikbare gebruiksgegevens aanwijzingen dat minder ingrijpende varianten van de huidige regeling de opsporingswaarde van artikel 126jj Sv wezenlijk zouden verminderen, bijvoorbeeld een systeem waarin passagegegevens in beginsel korter dan vier weken worden bewaard, maar waarin langere bewaring slechts mogelijk is voor bepaalde categorieën gegevens, locaties, zaaktypen of gevallen waarvoor een concreet en aantoonbaar zwaarder opsporingsbelang bestaat? 
  7. Bestaat de gestelde noodzaak, mede gelet op de actuele opsporingspraktijk, de huidige cameradata en de sinds de invoering opgedane ervaringen, nog steeds? 

Voortgang

Het Hof geeft de Staat de mogelijkheid om de gevraagde informatie te verstrekken. Het Hof houdt rekening met de mogelijkheid dat nader onderzoek noodzakelijk is. Het Hof wil wel de voortgang bewaken.

Structurele tekortkomingen in het toezicht

Het Hof concludeert tevens nu reeds dat de ANPR-wetgeving op twee onderdelen niet in lijn is met de verdragsrechtelijke bescherming van de persoonlijke levenssfeer:

  1. Voorafgaande rechterlijke toetsing bij raadpleging ontbreekt. Thans geeft de officier van justitie het bevel tot raadpleging van de gegevens. Het Hof oordeelt dat de officier van justitie — als instantie betrokken bij het strafrechtelijk onderzoek en belast met de aanklager-rol — niet voldoet als onafhankelijke toetsingsautoriteit. Toegang tot bewaarde ANPR-gegevens dient onderworpen te zijn aan voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een andere voldoende onafhankelijke bestuurlijke entiteit.
  2. Onafhankelijk toezicht op cameraplaatsing ontbreekt. De keuze van cameralocaties bepaalt in belangrijke mate de omvang en intensiteit van de gegevensverwerking. Het Hof oordeelt dat ook deze keuze onderworpen moet zijn aan toetsing door een onafhankelijke autoriteit — niet noodzakelijk een rechter, maar wel een instantie die voldoende onafhankelijk, effectief en inhoudelijk is.

Mogelijke impact

De uitspraak van het Hof heeft potentieel verstrekkende gevolgen voor de opsporingspraktijk en het wetgevingskader rondom geautomatiseerde gegevensverwerking:

  • Wetswijziging noodzakelijk. Het oordeel dat de officier van justitie niet kwalificeert als onafhankelijke toetsingsautoriteit voor het raadplegen van ANPR-gegevens impliceert dat artikel 126jj Sv moet worden aangepast om te voorzien in voorafgaande rechterlijke machtiging of toetsing door een onafhankelijke bestuurlijke entiteit. Dit sluit aan bij Europese rechtspraak en heeft mogelijke uitstraling naar andere opsporingsbevoegdheden die op een bevel van de officier van justitie berusten.
  • Onafhankelijk toezicht op cameraplaatsing. De eis van een onafhankelijke controle op de keuze en motivering van cameralocaties is nieuw in de Nederlandse context en kan gevolgen hebben voor de inrichting van het cameraplan en de governance rondom de inzet van ANPR.
  • Onderbouwingsplicht voor de Staat. Het Hof hanteert een stringente toetsing van de noodzakelijkheid. De Staat kan niet volstaan met anekdotische voorbeelden, maar moet met objectieve, verifieerbare en bij voorkeur kwantitatieve gegevens onderbouwen dat er een dringende maatschappelijke behoefte bestaat die een structurele inbreuk op de persoonlijke levenssfeer rechtvaardigt. Dit stelt een hoge bewijslat voor de overheid bij grootschalige en geautomatiseerde gegevensverwerking ten behoeve van de opsporing.
  • Doorwerking naar andere bulk-verwerkingsstelsels. Hoewel het Hof benadrukt dat ANPR-gegevens in aard en intensiteit verschillen van telecommunicatiegegevens, past het Hof de waarborgvereisten uit Europese telecommunicatie-zaken wel degelijk analoog toe. Dit kan richtinggevend zijn voor andere vormen van grootschalige, preventieve gegevensverwerking door de overheid.
  • Monitoring en compliance. Het arrest bevestigt dat tekortkomingen in de feitelijke uitvoering — zoals het gebrek aan actieve monitoring op ongeautoriseerde toegang — door de rechter worden meegewogen bij de beoordeling van het geheel van waarborgen. Organisaties die geautomatiseerde surveillancesystemen beheren, doen er dus goed aan hun interne beheersmaatregelen op orde te hebben en dat aantoonbaar te maken.

Dit betreft een tussenarrest. Het Hof heeft nog geen eindoordeel gegeven over de noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit van het ANPR-stelsel. De definitieve beoordeling is afhankelijk van de nadere onderbouwing die de Staat dient te leveren. Gezien het principiële tussenarrest ziet Privacy First een kritisch eindoordeel van het Hof met vertrouwen tegemoet. 

Lees HIER het volledige tussenarrest en het bijbehorende persbericht van het Hof Den Haag.

Steunt u ons in deze zaak? Word dan donateur!